vrijdag 23 maart 2012

Jonge ondernemers

Cupcakes. Cindy heeft het gevoel dat ze nooit anders heeft gedaan dan cupcakes bakken en decoreren. Ze heeft er dan ook tientallen gemaakt de afgelopen twee weken. En omdat ze er steeds handiger in wordt en de marsepeinen ‘bekleding’ er elke keer strakker uitziet, krijgt ze er meer en meer plezier in. De opbrengst van de verkoop draagt trouwens ook aan dat gevoel bij. Cupcakes zijn in, dat is duidelijk.

Cindy is veertien jaar en volgt het tweede jaar van een vmbo-opleiding in Enkhuizen. Aan het begin van de maand heeft ze tijdens de economieles samen met drie klasgenoten een briefje van twintig euro gekregen. Nou ja, niet echt gekrégen. Het is een lening, een microkrediet. Alle vier hebben ze hun handtekening gezet onder een contract van de hulporganisatie Dorcas die het geld ter beschikking heeft gesteld. Het is de bedoeling dat ze het bedrag straks niet alleen terugbetalen, maar via ondernemerschap ook vermeerderd hebben. De winst is bestemd voor leeftijdsgenoten in de projecten van Dorcas. En zo zijn Cindy en haar klasgenoten aan het ‘ondernemen’ geslagen. Niet alleen mooi voor ‘het goede doel’, maar ook een leuke uitdaging.

Kleurige jurken
In Olokii, een dorp in Tanzania, is het twee uur later dan in Enkhuizen. Terwijl Cindy het aanrecht nog een beetje opruimt, ligt in Olokii de zestienjarige Nala al op haar matje te slapen. Ze droomt. Niet van kleurige cupcakes, maar van kleurige lappen stof. Van prachtige jurken die zij daarvan heeft gemaakt. Van klanten die hun bestelling op komen halen en er tevreden het afgesproken bedrag voor betalen.

Nala heeft vijf jongere broers en zussen. Hun moeder zorgt voor hen zo goed ze kan. Breed heeft het gezin het bepaald niet. Nala’s moeder heeft geen vaste baan, maar gaat elke dag op zoek naar betaalde klusjes op de markt of op een van de boerderijen verderop. Wanneer ze werk vindt, is er ’s avonds te eten.

Nu bijna een jaar geleden kreeg Nala de kans om een opleiding te gaan volgen in het vaktrainingscentrum van Dorcas. In dit centrum worden jongeren opgeleid tot onder meer timmerman, metselaar, kleermaker en kleuterleidster. In Olokii en omgeving heerst grote werkloosheid en zonder opleiding zijn de mogelijkheden om een baan te vinden helemaal nihil. Zo begon Nala vorig jaar gemotiveerd aan de vaktraining tot kleermaker. Inmiddels kan ze prima overweg met de naaimachine en heeft ze ook geleerd wat er komt kijken bij het runnen van een eigen bedrijfje. Als ze binnenkort haar opleiding heeft afgerond, krijgt ze een microkrediet van omgerekend honderd euro vanuit het project mee. Daarmee kan ze de benodigde investeringen doen om haar eigen zaakje op te zetten. Drie jaar later moet ze de lening hebben afbetaald, zodat het bedrag weer aan een andere jonge ondernemer kan worden uitgeleend. Een jonge ondernemer zoals zijzelf … Blij is Nala. Blij en trots en hoopvol.

Creativiteit
Aan het eind van de actieperiode vertellen Cindy en haar collega-bakkers in de klas wat ze hebben gedaan om hun twintig euro te vermeerderen en welke winst ze aan Dorcas kunnen afdragen. Ook alle andere groepjes laten hun resultaten zien. Nu blijkt hoeveel creativiteit de actie heeft losgemaakt. Verschillende groepjes hebben dingen gebakken en verkocht: appeltaarten, cakes en pannenkoeken. Ook zijn er veel andere goederen verkocht, zoals tulpenbollen, fruit en tweedehands spullen. Anderen hebben optredens verzorgd voor kinderen in de buitenschoolse opvang of bingo georganiseerd voor ouderen in een verzorgingshuis. Twee Dorcas-medewerkers mogen, náást de terugbetaalde leningen, 2800 euro in ontvangst nemen voor het project in Olokii. Een prachtig resultaat!

(Dit artikel is gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 23 maart 2012)

zaterdag 21 januari 2012

Iets leuks bij de post

Met een gevoel van spijt heb ik de kerstkaarten weer van de kastdeur gehaald. Natuurlijk gaat Kerst over de geboorte van Jezus Christus. Maar de kerstpost vind ik een heerlijk bijverschijnsel van de feestdagen in december.

Aan het eind van elke werkdag haast ik mij verwachtingsvol naar huis. Zou er tussen de rekeningen en bankafschriften misschien een kaartje zitten? Of misschien wel twee of drie of … zelfs vier? Met het naderbij komen van de feestdagen neemt het aantal kaartjes elke dag toe. Het maakt me steeds opnieuw blij: elk kaartje is immers een teken van contact met andere mensen.

Wie ook heel erg blij zijn met post, zijn de ‘grannies’ van Dorcas. Dit zijn ouderen in Afrika en Oost-Europa die door Nederlandse sponsors via het Adopt a Granny-project worden ondersteund. Deze ouderen behoren tot de allerarmsten van hun samenleving. Ze hebben vaak hun leven lang hard gewerkt, maar moeten nu in schrijnende armoede zien te overleven. Van het bedrag dat de sponsors maandelijks betalen, worden zij geholpen met voedsel en kleding, medicijnen, hout voor de kachel en andere dingen die zij dringend nodig hebben.

Maar hoe ernstig hun materiële gebrek ook is, keer op keer horen we dat de ‘grannies’ de eenzaamheid misschien nog wel erger vinden dan het tekort aan brood. Ooit stonden ze midden in de samenleving, hadden ze een werkkring, was er familie bij wie zij hoorden. Nu voelen zij zich afgedankt en geïsoleerd. Daarom betekent het onvoorstelbaar veel voor hen dat er mensen in het verre Nederland zijn die naar hen omkijken. Plotseling staan ze er niet meer alleen voor. Een brief of kaartje van de sponsor maakt dit bijzonder concreet en wordt dan ook enorm gewaardeerd. Een tijdje geleden overleed een van de ouderen uit het Roemeense project. Van tevoren had hij laten opschrijven welke persoonlijke spulletjes hij mee wilde laten begraven als zijn tijd gekomen was. Daaronder waren de brieven die hij in de loop van de jaren had ontvangen van zijn Nederlandse sponsor!

Zo’n verhaal stimuleert mij weer extra om ook regelmatig wat te laten horen aan ‘mijn’ granny, de inmiddels 82-jarige Olga in Moldavië. Ze moet rondkomen van een pensioen van slechts twintig euro per maand. Dat is onmogelijk, ook in het armste land van Europa. Haar inkomen is niet eens voldoende om eten van te kopen, laat staan medicijnen, stookhout of andere elementaire zaken. Soms is het wel eens lastig om te bedenken wat ik aan haar zal schrijven. Ons leven is zo anders dan dat van haar en het laatste wat je wilt, is haar ‘de ogen uitsteken’ met alles wat wij hier hebben. Zo blijft het vaak bij het vragen naar haar gezondheid en het uiten van goede wensen. Maar ik hoop dat alleen al het teken van onze verbondenheid een beetje blijdschap brengt in haar leven. Zoals ik nu al uitkijk naar háár jaarlijkse kerstkaart die meestal begin februari in onze brievenbus valt. Iets leuks bij de post, een teken van verbondenheid.

(Dit artikel is gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 20 januari 2012)

vrijdag 4 november 2011

Bedelkindjes

Spaaracties. Er gaat geen maand voorbij of er is bij een van de supermarkten wel iets te sparen: zegeltjes voor korting bij een pretpark, dierenstickers om in een verzamelboek te plakken, pluchen aapjes, figuurtjes uit bekende tekenfilms en nog veel meer. Een deel van de klanten schijnt dit maar onzin te vinden of zelfs irritant, maar zelf vind ik het meestal wel leuk. En ik ben zeker niet de enige, want het blijkt financieel goed uit te kunnen.

Een bijverschijnsel van de spaaracties is het fenomeen bedelkindjes. Zo noem ik de kinderen die me bij de uitgang van de supermarkt staan op te wachten in de hoop mijn knikker, bouwblok of kwartetkaart te krijgen. Nu ben ik opgegroeid met regels als ‘kinderen die vragen worden overgeslagen’ en ‘na schooltijd thuiskomen en niet rondhangen in het winkelcentrum’. Dus ik kijk er wat vreemd tegenaan als ik door soms echt jonge kinderen wordt aangesproken. ‘Mevrouw, hebt u ook boeboe’s?’ ‘Mevrouw, zou ik uw frummels mogen?’ ‘Mevrouw, mag ik uw domino’s hebben?’

Ja, dat zijn de westerse bedelkindjes. Ze herinneren me aan drie jonge Roma-kinderen die ik in de Roemeense stad Oradea ontmoette. Een jongen en twee meisjes. Ze waren smoezelig en twee van hen liepen op blote voeten, zomaar op het asfalt. Ze zeiden niets, maar hielden alleen hun hand op. Nee, niet om de nieuwste knuppies of dragoenen in ontvangst te nemen. Hun opgehouden handjes en hun ogen vroegen om eten. Daar sta je dan, plotseling oog in oog met kinderen die op school hadden moeten zitten, maar die hun dagen vullen met het bij elkaar bedelen van hun eerste levensbehoeften. Natuurlijk konden we niet anders, dan hen wat broodjes en een appel uit ons lunchpakket te geven…

Deze week staan – misschien wel naast de ‘westerse bedelkindjes’ – ook duizenden vrijwilligers van Dorcas bij de in- en uitgang van de supermarkten. Vooral volwassenen, maar ook jongeren en kinderen. Als het goed is, zullen zij niet om de kakels of de fluflu’s vragen die u gratis bij de kassa hebt gekregen. Nee, zij zullen vragen om een pak macaroni, een blik bonen of een doosje thee. Niet voor zichzelf, maar namens die Roemeense straatkindjes en zoveel andere Oost-Europese armen, die geen inkomen hebben of een pensioentje waar ze onmogelijk van rond kunnen komen.

Persoonlijk vind ik de jaarlijkse Dorcas Voedselactie een prachtige actie. Het is zo concreet. Je verzamelt in je winkelwagentje je weekendboodschappen. Melk, pindakaas, verse groenten, een fles wasverzachter, een extra lekkere koek voor de zondag, oh ja, de koffie was ook bijna op… En naast je eigen boodschappenlijstje heb je deze keer ook het Dorcas-lijstje in de hand: een fles zonnebloemolie, een pakje droge soep, een tube tandpasta. Dingen die zo weinig kosten, maar waar je een ander zo blij mee kunt maken. Niet voor niets is deze voedselinzameling in de week van Dankdag voor gewas en arbeid. Geven uit dankbaarheid voor het vele dat we zelf hebben ontvangen. ‘Alstublieft mevrouw, dit is voor de bedelkindjes in Oost-Europa.’

(Dit artikel is gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 4 november 2011)

vrijdag 2 september 2011

Geen lunch, dus ook geen lunchpauze

Wie kiest er nu voor zó’n vakantie: niet op het strand liggen, maar hard aan het werk, zónder er geld mee te verdienen! Elke zomer gaan enkele tientallen jongeren met Dorcas op reis om in landen in Afrika en Oost-Europa praktisch aan de slag te gaan voor de allerarmsten daar. En dat verdient echt wel het nodige respect. Van tevoren zijn ze al een heel jaar druk in de weer om geld in te zamelen voor hun reis en voor het project waarin ze gaan helpen. En de reis zelf is natuurlijk wel een groot avontuur, maar betekent ook: elke dag om half zeven opstaan en de hele dag de handen uit de mouwen.

Dit jaar ging onder meer een groep jongeren uit Beuningen naar Kenia om in de regio Wikivuvwa huizen te bouwen. Kenia is op dit moment regelmatig in het nieuws vanwege de droogte in de Hoorn van Afrika en vanwege de Somalische vluchtelingen die er in opvangkampen proberen te overleven. Dorcas werkt echter al twintig jaar in dit land en heeft er een kantoor met lokale medewerkers en verschillende partnerorganisaties die de projecten uitvoeren. In het huizenbouwproject in Wikivuvwa worden voor én met de allerarmste mensen huisjes gebouwd. Hiervoor worden milieuvriendelijke stenen en het lokaal aanwezige zand gebruikt. De nieuwe eigenaren betalen niet alleen binnen tien jaar de helft van het huis terug, ze helpen ook zo veel mogelijk zelf mee met het bouwen. Zo zijn zij optimaal betrokken bij de hulp. En de Nederlandse jongeren sloten zich dus twee weken lang elke dag bij hen aan.

Met Dorcas reizen betekent overigens niet alleen werken, het is ook: oog in oog staan met de armoede. Het is beton mengen met de hand en zelf een ladder en een steiger in elkaar knutselen. Het is je hoofd stoten aan het dak van de auto als de chauffeur een kuil in de weg over het hoofd ziet. Het is de sloppenwijken van de steden zien en ruiken, en praten met leeftijdsgenoten die hun hele familie aan aids hebben verloren en zelf ook het hiv-virus dragen. Het is knuffels en ballen uitdelen aan kinderen die nog nooit eerder speelgoed hebben gehad.

En het is: ontdekken wat het in de praktijk betekent om niets, helemaal niets te hebben. ‘We hadden veel hulp van de nieuwe bewoners van het huisje’, schreef de groep na de eerste bouwdag op het weblog. ‘Echte schatten van mensen zijn het, maar heeeel erg arm. Terwijl wij gingen lunchen, bleken zij geen eten te hebben en wilden ze gewoon doorwerken. We vroegen ernaar en ze zeiden dat ze waarschijnlijk vanavond ook niet zouden kunnen eten. We hebben ze toen een deel van ons brood gegeven.’

Zo langzamerhand zijn de schoolvakanties weer voorbij en is voor de meeste mensen het dagelijks leven weer begonnen. Enthousiast en misschien met enige weemoed (omdat het weer veel te snel voorbij is gegaan) laten we onze vakantiefoto’s zien aan familie en vrienden. Dat zullen de jongeren uit Beuningen zeker ook doen. Bijzondere foto’s van twee weken hard werken in Kenia, beelden van vriendschap, van plezier, van dankbaarheid, van vermoeidheid, van tranen. Of, zoals een van de deelnemers het verwoord: ‘Ik kijk met een heel mooi beeld terug, maar heb niet het gevoel dat ik hier klaar ben. Het zijn de kleine dingen die je warm maken van binnen en je het gevoel geven dat je hier nooit meer weg wilt.’

(Dit artikel is gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 2 september 2011)

maandag 6 juni 2011

Telefoontjes voor de dokter

Mijn telefoonnummer scheelt één cijfer met dat van onze huisarts. Het gebeurt daardoor heel regelmatig dat ik een telefoontje krijg van iemand uit het dorp die een afspraak wil maken met de dokter. Vaak beginnen die mensen meteen te vertellen welke pijn of zorg ze hebben, nog voor ik heb kunnen opmerken dat ik niet de assistente van de dokter ben en dat ze 3 in plaats van 2 hebben ingetoetst. Al die telefoontjes bepalen me er weer eens extra bij hoe gezegend wij eigenlijk zijn in een land waar je met elke klacht bij de dokter kunt aankloppen. Er ís een dokter en wij kunnen die bereiken en (laten) betalen.

Bij Dorcas hoor je andere verhalen. Onlangs was mijn collega Edwin Onyancha uit Kenia een paar dagen in Nederland. Hij vertelde mij over de noden op medisch gebied in zijn land. ‘Het ontbreekt ons aan artsen en aan medicijnen en klinieken, maar ook aan kennis over hygiëne en geld voor muskietennetten’, somde hij op. ‘Kinderen overlijden onnodig aan malaria of aan eenvoudig te behandelen kinderziekten. Zwangere vrouwen die problemen krijgen bij de bevalling moeten vaak nog dertig kilometer afleggen voor ze bij een medische post zijn. Lopend! Patiënten sterven in de wachtkamer van de dokter, omdat ze een hele dag moeten wachten voor ze eindelijk aan de beurt zijn. In heel Kenia is maar één overheidsziekenhuis dat kanker kan behandelen. Daarnaast zijn er wel privéklinieken die radiotherapie aanbieden, maar die zijn voor het grootste deel van de bevolking niet te betalen.’

Even ter vergelijking: in Nederland is er voor elke 270 inwoners een arts. Edwin vertelt: ‘In sommige regio’s hebben we één dokter per 200.000 patiënten.’ Meer ziekenhuizen en meer artsen zouden dus geen overbodige luxe zijn. ‘Maar wat nog belangrijker is, is het geven van voorlichting over hygiëne en ziektepreventie,’ aldus Edwin. ‘Want wie niet ziek wordt, heeft ook geen dokter nodig.’

Voorlichting vormt dan ook altijd een onderdeel van de medische projecten die Dorcas ondersteunt in Kenia en andere landen in Afrika. Daarnaast richten deze projecten zich op medische zorg voor zieken, inentingen voor kinderen, het afnemen van hiv-tests, training van medisch personeel en opvang van (aids)wezen. En er gebeuren mooie dingen in deze projecten, verzekert Edwin me. ‘Je ziet mensen die door ziekte hele dagen op bed lagen te wachten tot ze zouden sterven. Met medicijnen, goede voeding en ook geestelijke begeleiding kunnen ze opstaan, misschien zelfs weer aan het werk en voor hun gezin zorgen. Niet elke ziekte is te genezen, zoals aids – een groot probleem in ons land –, maar met de hulp uit onze projecten kunnen patiënten en hun families hun leven toch weer oppakken. De hopeloosheid valt van hen af en er is weer toekomst.’

‘Medische zorg moet bereikbaar en betaalbaar worden’, vat Edwin de medische projecten van Dorcas samen. De volgende keer dat ik een telefoontje krijg voor de dokter, zal ik weer denken aan het verhaal van Edwin. Zó zou het ook in Kenia moeten zijn: je eigen huisarts kunnen bellen om aan hem of haar je medische problemen voor te leggen. Bereikbaar en betaalbaar voor iedereen.

(Dit artikel is gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 3 juni 2011)

woensdag 25 mei 2011

Internet

Het is de regel dat niemand tijdens de vergaderingen van de Spring Meeting zijn telefoon of laptop gebruikt (behalve degene die notuleert of iets presenteert). In de pauzes en aan het eind van de dag maken velen van de gelegenheid gebruik om hun e-mail te lezen, projectfoto's uit te wisselen en eventueel wat ander werk te doen. Omdat in de vergaderzaal draadloos internet is, zitten daar tussen de vergaderingen door steeds mensen met hun laptop. De zaal krijgt dan de sfeer van een bibliotheek waar je alleen op gedempte toon mag spreken en elke nieuwe bezoeker ongeveer op z'n tenen binnenkomt om anderen niet te storen.

Internet gebruiken in Hongarije is onverwacht leerzaam. De verbinding is namelijk niet altijd even snel of stabiel en af en toe valt de connectie weg en moet je opnieuw inloggen. Vooral de Nederlanders beginnen dan al snel te fronsen of (zacht) te mopperen. Maar op een gegeven moment merkten de Afrikaanse collega's lachend op dat vergeleken met hun eigen internetverbinding op kantoor deze verbinding 'Rolls Royce'-kwaliteit heeft. In veel landen is het altijd maar afwachten of er internet is of zelfs elektriciteit! Ik probeer me voor te stellen wat dat betekent voor al je bureau/kantoorwerk...

dinsdag 24 mei 2011

Hongaarse staatssecretaris: bedankt!

‘Alleen door samenwerking van alle sociale partners kunnen we in Europa door de huidige crisis heen komen. We zetten daarom als regering onder meer in op de samenwerking met kerken en christelijke hulporganisaties.’ Dit zei László Szászfalvi, de staatssecretaris van het Hongaarse ministerie van algemene zaken en justitie, vanmiddag tijdens een bezoek aan onze internationale voorjaarsvergadering in Hongarije.

Szászfalvi, een voormalige dominee, is verantwoordelijk voor de portefeuilles kerk, etnische zaken en interne relaties. ‘We hebben niet alleen te maken met een economische, maar ook met een morele crisis. In onze nieuwe grondwet hebben we een mooie zin staan: We hebben een spirituele en morele herleving nodig om uit de huidige crisis te komen.’ Volgens Szászfalvi ligt daarin een belangrijke rol voor kerken en christelijke hulporganisaties, mede omdat ze structuur geven aan de samenleving en zich op sociaal gebied inzetten. In dat kader bedankte hij de aanwezigen voor alle projecten die Dorcas door de jaren heeft uitgevoerd, zowel in Hongarije zelf, als in het omliggende gebied waar ook veel Hongaren wonen, zoals in delen van Roemenië en de Transkarpaten, Oekraïne. ‘Jullie hebben het geloof als basis en willen daadwerkelijk iets betekenen voor de mensen die jullie helpen. Ik wens jullie daarbij van harte Gods zegen toe.’

Aan het eind van de bijeenkomst overhandigde Dorcas-directeur Michel Gendi het onlangs verschenen internationale jaarverslag van Dorcas over 2010. De staatssecretaris kon overigens niet vertrekken voor hij met alle aanwezige Dorcas-medewerkers op een groepsfoto was gegaan!